sacoche

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[1] sacoche
Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·co·che
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord sacoche sacochen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sacoche v

  1. handtas
  2. in de sacoche zijn: alles in orde zijn
     Zelfs op Juliette Binoche heeft de tand des tijds vat gekregen, blijkt uit deze double bill op Arte. We tuimelen van haar broeierige ‘debuut’ uit 1985 pardoes in een van haar minder geslaagde films, uit 2010. Alleen haar vertolking tilt die film boven de middelmaat uit. Zoals de volksmond zegt: met Binoche komt alles in de sacoche.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

14 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. sacoche op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron “Een rendez-vous met Juliette Binoche” (25/07/2019), De Standaard
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be