ritus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ri·tus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geheel van rituele gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ritus ritussen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ritus m [3]

  1. geheel van ceremoniële, gewoonlijk godsdienstige gebruiken
  2. (religie) voorgeschreven wijze waarop een liturgische handeling verricht wordt
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

47 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen