pauper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

pauper op de vuilnisbelt
Uitspraak
Woordafbreking
  • pau·per
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘arme’ voor het eerst aangetroffen in 1898 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pauper paupers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pauper m [3]

  1. iemand die heel arm is
    • Zijn 60 miljoen volgelingen blijven naar eigen zeggen ‘getraumatiseerd’ achter. Vanuit het hoofdkwartier van Sacha Sauda (een echte stad met een cinema, scholen en ziekenhuizen) reageerde een verweesde volgeling: ‘Ooit waren we paupers, vandaag hebben we een job, geld, voertuigen en land. Allemaal dankzij hem.’ [4] 
    • "De fan van Twente droomt van een kampioenschap, die van Heracles komt omdat hij zich een pauper voelt", zegt Hans Kroeze, directeur van Asito. [5] 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen