resistir

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Catalaans

stamtijd
tegenw.
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
resisteixo resistia resistit
3e vervoeging volledig

Werkwoord

resistir

  1. (onovergankelijk) zich verzetten, weerstand bieden
  2. (overgankelijk) weerstaan
  3. (overgankelijk) verdragen, dulden, het uithouden tegen


Spaans

Uitspraak
  • IPA: /re.sisˈtiɾ/
Woordafbreking
  • re·sis·tir

Werkwoord

resistir

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
resistir
resistía
resistido
volledig
  1. (onovergankelijk) zich verzetten, weerstand bieden
  2. (~ a) zich verdedigen tegen
  3. het uithouden, weerstand bieden, weerstandsvermogen hebben
  4. weerstaan
  5. uithouden, dulden, verdragen
Synoniemen