reciprook

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ci·prook
stellend
onverbogen reciprook
verbogen reciproke

Bijvoeglijk naamwoord

reciprook

  1. (wiskunde), (natuurkunde) een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
    • Bij diffractie wordt een deel van de reciproke ruimte zichtbaar gemaakt. 
    • Als dimensie is de tijd direct en de frequentie reciprook. 
  2. (taalkunde) wederkerig, wederzijds
    • "Elkaar" wordt wel een reciprook pronomen genoemd. 
Schrijfwijzen
  • De hier gekozen spelling was toegestaan tot 1995. Nadien schreef de Taalunie reciproque voor. Deze spelling doet echter geen recht aan de taal zoals deze werkelijk gesproken wordt, omdat het verschil tussen de onverbogen en de verbogen vorm er niet mee kan worden weergegeven.
Opmerkingen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

37 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.