rally

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ral·ly
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘sterrit’ voor het eerst aangetroffen in 1940 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord rally rally's
verkleinwoord rally'tje rally'tjes

Zelfstandig naamwoord

rally m [3]

  1. (sport) een snelheidsrace over tijdelijk afgesloten, maar normaal gesproken openbare wegen waarbij het o.a. gaat om snelheid
  2. reünie
  3. (sport) een reeks van slagen zonder punt in het tennis
  4. (financieel) snel oplopen van de beurskoersen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen