radiateur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Radiateur
Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·di·a·teur
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Franse 'radiateur' met het achtervoegsel -ateur [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord radiateur radiateurs
verkleinwoord radiateurtje radiateurtjes

Zelfstandig naamwoord

radiateur m [2]

  1. (werktuigbouwkunde) toestel dat het koelwater van een verbrandingsmotor afkoelt
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen