radheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rad·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord radheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

radheid v

  1. vaardigheid waarmee iets snel en doeltreffend wordt gedaan of gezegd
Typische woordcombinaties
  • radheid van tong
    vaardigheid vlot en overtuigend te spreken
• De ware wereldartiest is hij die met radheid van tong een kant-en-klaar wereldbeeld kan opdissen dat zich, indien gewenst, diepzinnig laat aanhoren maar toch de luisteraars het gevoel geeft dat ze niet dom zijn. [3]

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen