pride

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
pride prides

Zelfstandig naamwoord

pride

  1. trots, eer
    «His pride forbade him from doing this.»
    Zijn trots liet hem niet toe dit te doen.
  2. (dierkunde) troep; groep leeuwen.


vervoeging
onbepaalde wijs to pride
he/she/it prides
verleden tijd prided
voltooid
deelwoord
prided
onvoltooid
deelwoord
priding
gebiedende wijs pride

Werkwoord

pride

  1. ~ oneself: trots zijn op iets
    «I pride myself on being able to do that.»
    Ik ben er trots op dat ik dat kan.