pincer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pincer |
pinçais |
pincé |
| eerste groep | volledig | |
pincer
- knijpen, drukken
- plotseling pakken, grijpen
- (spreektaal) afpikken, jatten, achterover drukken [1]
- (spreektaal) in de boeien slaan
- (spreektaal) (figuurlijk) verliefd worden