jatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jat·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Hebreeuwse יד (jad, 'hand') en het Jiddishe ידיים (jada-iem, 'handen').
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jatten
jatte
gejat
zwak -t volledig

Werkwoord

jatten

  1. (overgankelijk) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    Het bleek dat zijn mobieltje gejat was door Ronald.
Synoniemen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord - jatten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jatten mv

  1. (informeel) vingers
    Blijf met je jatten van mijn eten af!