jatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jat·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Herkomst: Bargoens
  • Afkomstig van het Hebreeuwse יד (jad, 'hand') en het Jiddishe ידיים (jada-iem, 'handen').
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jatten


jatte


gejat


zwak -t volledig

Werkwoord

jatten

  1. (overgankelijk) (Jiddisch-Hebreeuws) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    Het bleek dat zijn mobieltje gejat was door Ronald.
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

jatten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jat
  2. (informeel) vingers
    Blijf met je jatten van mijn eten af!

Werkwoord

vervoeging van
jatten

jatten

  1. meervoud verleden tijd van jatten
    Wij jatten.
    Jullie jatten.
    Zij jatten.
Verwijzingen