jatten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jat·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gappen’ voor het eerst aangetroffen in 1901 [1]
  • Herkomst: Bargoens, afkomstig van het Hebreeuwse יד (jad, 'hand') en het Jiddishe ידיים (jada-iem, 'handen') [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jatten
jatte
gejat
zwak -t volledig

Werkwoord

jatten

  1. overgankelijk (Jiddisch-Hebreeuws) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    • Het bleek dat zijn mobieltje gejat was door Ronald. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

jatten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jat
  2. (informeel) vingers
    • Blijf met je jatten van mijn eten af! 

Werkwoord

vervoeging van
jatten

jatten

  1. meervoud verleden tijd van jatten
    • Wij jatten. 
    • Jullie jatten. 
    • Zij jatten. 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen