afpikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·pik·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afpikken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afpikken
pikte af
afgepikt
zwak -t volledig
  1. iets van iemand stelen
    • Enkele nummers op Graceland zijn in feite covers van songs van Phiri en anderen, licht verwesterd en van surrealistische teksten voorzien door Simon. Maar kritiek uit linkse hoek dat Simon als „muzikale kolonisator” of „Livingstone van de jaren tachtig” de zwarte muziek kwam afpikken, doet Phiri van de hand. „Ik had niet het gevoel dat hij me gebruikte”, zei hij onlangs in een interview. „Mijn muziek ontdekte hem, niet andersom.” De samenwerking heeft hem geen windeieren gelegd.[2] 
  2. met betrekking tot vogels: ergens iets vanaf halen door te pikken
    • De vogels pikten de broodkruimels van de grond af.  
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen