personage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·so·na·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rol in een toneelstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1501 [1]
  • afgeleid van het Franse personnage (met het achtervoegsel -age) [2]
  • afgeleid van persoon met het achtervoegsel -age [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord personage personages
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

personage v of o

  1. (kunst) een fictieve persoon in een verhaal, boek, toneelstuk e.d.
    • De personages in zijn boeken zijn werkelijk levensecht te noemen. 
     Ik kan niet alles letterlijk reproduceren en ik moet toegeven dat ik ook niet alles verstond, omdat ik niet was voorbereid op deze uitbarsting van Franse poëzie, maar ik verstond genoeg om te begrijpen dat het ging om een feministische visie op drie verlaten vrouwen uit de mythologie, Nausica, Medea en Dido, die volgens mij werden samengesmolten tot één modern personage in de gedaante van een zwerfster in de metro van Parijs, maar voor het laatste deel van deze interpretatie moet ik gezien de particuliere metaforiek een slag om de arm houden.[4]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen