patser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pat·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord patser patsers
verkleinwoord patsertje patsertjes

Zelfstandig naamwoord

patser m

  1. iemand die pronkt (met zijn of haar bezit).
    • Toen hij zijn bedrijf voor miljoenen had verkocht werd hij een patser in een luxe villa met zwembad en elk jaar een nieuwe auto. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen