parket

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·ket
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afgeperkte ruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1414 [1]
  • Afkomstig van het Franse parquet
enkelvoud meervoud
naamwoord parket parketten
verkleinwoord parketje parketjes

Zelfstandig naamwoord

parket o

  1. (juridisch) landelijk ~, functioneel ~, het openbaar ministerie
    • In de meeste gevallen brengt het Openbaar Ministerie de zaak immers niet voor de strafrechter. Zo beslist het parket vaak niet te vervolgen of de zaak zelf af te handelen.[2] 
  2. (juridisch) afzonderlijke ruimte in gerechtszalen, bijv. van de officier van justitie
    • Fredrika parkeerde voor het parket van de officier van justitie, vlak bij het station.[3] 
  3. parketvloer
    • Vallend servies en bestek geeft deukjes in het parket.[4] 
  4. ruimte tussen parterre en stalles, met name in een schouwburg
    • Een der toeschouwers, de architect Hummel uit Wenen, die in het parket zat, was plotseling krankzinnig geworden.[5] 
Opmerkingen
  • De juridische betekenissen 1 en 2 hebben zich door verenging ontwikkeld uit de oudere betekenis "afgescheiden ruimte". Betekenis 3 is waarschijnlijk een latere leenbetekenis uit het Frans die losstaat van de overige.[6]
Uitdrukkingen en gezegden
  • In een lastig/moeilijk parket zitten
In het nauw zitten, zich in een lastige situatie bevinden

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen