Naar inhoud springen

paralyse

Uit WikiWoordenboek
  • pa·ra·ly·se
enkelvoud meervoud
naamwoord paralyse paralysen
paralyses
verkleinwoord - -

deparalysev

  1. (medisch) een toestand waarin men zich niet bewegen kan
81 %van de Nederlanders;
86 %van de Vlamingen.[2]
vervoeging
onbepaalde wijs to  paralyse 
he/she/it  paralyses 
verleden tijd  paralysed 
voltooid
deelwoord
 paralysed 
onvoltooid
deelwoord
 paralysing 
gebiedende wijs  paralyse 

paralyse

  1. verlammen


vervoeging van
paralyser

paralyse

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van paralyser
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van paralyser
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van paralyser