paarden
Uiterlijk
- paar·den
de paarden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord paard
- ▸ Toen ik aankwam bij het vuurtje zag ik tot mijn verbazing twee paarden aan een lang touw grazen, met verder niemand in de buurt.[1]
- ▸ waar waren hun knappe Van Dycks, hun gemakkelijk te verteren Gainsboroughs, de gespierde, majesteitelijke paarden van Stubbs? Het enige wat ze hier aantroffen, waren modernistische, kleurige penseelstreken, vrouwen die hoofden vasthielden, vrouwen die in elkaar gedoken tussen de scherven van hun potten zaten, een leeuw die op de loer lag, het derde wiel in een tragedie van heiligen uit de renaissance.[2]
| vervoeging van |
|---|
| paren |
paarden
- meervoud verleden tijd van paren
- Wij paarden.
- Jullie paarden.
- Zij paarden.
- Wij paarden.
- Het woord paarden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704