overschatten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·schat·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overschatten
overschatte
overschat
zwak -t volledig

Werkwoord

overschátten [1]

  1. overgankelijk wederkerend iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
    • De rol van voetbaltrainers wordt overschat. 
    • Kijk, ik wil mezelf niet overschatten, maar ik heb wel talent. 
Antoniemen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overschatten
schatte over
overgeschat
zwak -t volledig

Werkwoord

óverschatten

  1. overgankelijk opnieuw schatten [2]

Werkwoord

vervoeging van
overschatten

overschátten

  1. meervoud verleden tijd van overschatten
    • Wij overschátten. 
    • Jullie overschátten. 
    • Zij overschátten. 
vervoeging van
overschatten

óverschatten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van overschatten
    • ...dat wij óverschatten. 
    • ...dat jullie óverschatten. 
    • ...dat zij óverschatten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen