overschatte
Uiterlijk
- Geluid: overschátte (hulp, bestand) "te groot inschatten"
- IPA: / ˌovərˈsxɑtə / (4 lettergrepen)
- Geluid: óverschatte (hulp, bestand) "opnieuw schatten"
- IPA: / ˈovərˌsxɑtə / (4 lettergrepen)
- over·schat·te
| vervoeging van |
|---|
| overschatten |
óverschatte
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van overschatten
- ... dat ik overschatte.
- ... dat jij overschatte.
- ... dat hij, zij, het overschatte.
- ... dat ik overschatte.
- (in een bijzin) aanvoegende wijs van overschatten
| vervoeging van |
|---|
| overschatten |
overschátte
- enkelvoud verleden tijd van overschatten
- Ik overschatte.
- Jij overschatte.
- Hij, zij, het overschatte.
- Ik overschatte.
- aanvoegende wijs van overschatten
- Het woord overschatte staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.