Naar inhoud springen

overschatte

Uit WikiWoordenboek
  • over·schat·te
vervoeging van
overschatten

óverschatte

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van overschatten
    • ... dat ik overschatte. 
    • ... dat jij overschatte. 
    • ... dat hij, zij, het overschatte. 
  2. (in een bijzin) aanvoegende wijs van overschatten
vervoeging van
overschatten

overschátte

  1. enkelvoud verleden tijd van overschatten
    • Ik overschatte. 
    • Jij overschatte. 
    • Hij, zij, het overschatte. 
  2. aanvoegende wijs van overschatten