onderschatten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·schat·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onderschatten
onderschatte
onderschat
zwak -t volledig

Werkwoord

onderschatten

  1. overgankelijk iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
    • Zij hadden de professor die zich voor de schoolraad kandidaat gesteld had onderschat en hij won zijn district 5 met gemak. 
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
onderschatten

onderschatten

  1. meervoud verleden tijd van onderschatten
    • Wij onderschatten. 
    • Jullie onderschatten. 
    • Zij onderschatten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.