overbruggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·brug·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overbruggen
overbrugde
overbrugd
zwak -d volledig

Werkwoord

overbruggen

  1. overgankelijk iets wat niet op elkaar aansluit met elkaar verbinden
    • Wij overbruggen die gevaarlijke rivier .
     Langs een smal paadje moesten we voetje voor voetje proberen de 20 meter te overbruggen.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be