opsporing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·spo·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opsporing opsporingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

opsporing v

  1. het opsporen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be