opportuun

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·por·tuun
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘van pas’ voor het eerst aangetroffen in 1669 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen opportuun opportuner opportuunst
verbogen opportune opportunere opportuunste
partitief opportuuns opportuners -

Bijvoeglijk naamwoord

opportuun

  1. van pas komend, gelegen; vaak voorkomend in combinatie met "niet"
    • Bij hoge rentestanden is de aankoop van een huis met een hoge hypotheek nauwelijks opportuun. 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen