opblinken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·blin·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opblinken
blonk op
opgeblonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

opblinken

  1. inergatief door een schittering zichtbaar worden
    • Opeens zag hij de tanden van de tijger in de schemering opblinken. 
  2. overgankelijk door poetsen laten schitteren
    • Ze wilde haar zilveren bestek opblinken voor het diner. 

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.