blinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blin·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blinken
blonk
geblonken
klasse 3 volledig

Werkwoord

blinken

  1. absoluut in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
    • Het duin blonk in het felle zonlicht. 
    • De nieuwe auto staat te blinken in het zonlicht. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Duits

Werkwoord

blinken

  1. glanzen
    «Die frisch geputzten Felgen blinken in der Sonne.»
    De goed schoongemaakte velgen blinken in de zon.


Noors

Woordafbreking
  • blin·ken
Naar frequentie 7793

Zelfstandig naamwoord

blinken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van blink


Nynorsk

Woordafbreking
  • blin·ken

Zelfstandig naamwoord

blinken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van blink