ontweien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·wei·en
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van wei met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontweien
ontweide
ontweid
zwak -d volledig

Werkwoord

ontweien

  1. overgankelijk vis, gevogelte of wild van de ingewanden ontdoen
Vertalingen

Gangbaarheid

58 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.