ontvangst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·vangst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ontvangst ontvangsten
verkleinwoord ontvangstje ontvangstjes

Zelfstandig naamwoord

ontvangst v

  1. verwelkoming, onthaal
    • Bij onze ontvangst in het hotel kregen we allerlei hapjes. 
  2. het ontvangen van iets
    • De ontvangst van het geld verliep vlotjes. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • in ontvangst nemen
innen, ontvangen, incasseren, toucheren
•  De vreugde op de Nederlandse bank was uitzinnig. Waar iedereen sprong, bleef coach Ilse DeLange met de handen voor haar ogen zitten. Ongeloof won het nog van de vreugde. Laurence was al snel weer bij zijn positieven en nam de trofee in ontvangst met de woorden: ‘To Music first. Always.’ [2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen