ontvangst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·vangst
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ontvangst ontvangsten
verkleinwoord ontvangstje ontvangstjes

Zelfstandig naamwoord

ontvangst v

  1. verwelkoming, onthaal
    • Bij onze ontvangst in het hotel kregen we allerlei hapjes. 
  2. het ontvangen van iets
    • De ontvangst van het geld verliep vlotjes. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.