onthoofden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·hoof·den
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van hoofd met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
onthoofden
onthoofdde
onthoofd
zwak -d volledig

Werkwoord

onthoofden

  1. overgankelijk iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
    • Het doodsvonnis werd uitgesproken en de scherprechter onthoofdde de veroordeelde. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie