onthoofdde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·hoofd·de

Werkwoord

vervoeging van
onthoofden

onthoofdde

  1. enkelvoud verleden tijd van onthoofden
    • Ik onthoofdde. 
    • Jij onthoofdde. 
    • Hij, zij, het onthoofdde.