ontfutselen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·fut·se·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘listig ontnemen’ voor het eerst aangetroffen in 1618 [1]
  • Afgeleid van futselen met het voorvoegsel ont-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontfutselen
ontfutselde
ontfutseld
zwak -d volledig

Werkwoord

ontfutselen

  1. overgankelijk iemand iets afhandig maken
    • Voor het het wist was hem dat ontfutseld. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen