onnadenkend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·na·den·kend
Woordherkomst en -opbouw

Deelwoord

bevestigend
deelwoord
ontkennend
deelwoord
onverbogen nadenkend onnadenkend
verbogen nadenkende onnadenkende
vervoeging van
nadenken

onnadenkend ontkenned deelwoord van nadenken

  1. attributief gebruikt zonder over iets na te denken, oppervlakkig, lichtzinnig
    • Ze sprak op de onnadenkende wijze, die de jeugd eigen is. 
    • Je kwetst me met die onnadenkende opmerking. 
  2. bijwoordelijk gebruikt
    • Hij is onnadenkend en onkritisch te werk gegaan 


stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onnadenkend onnadenkender onnadenkendst
verbogen onnadenkende onnadenkendere onnadenkendste
partitief onnadenkends onnadenkenders -

Bijvoeglijk naamwoord

  1. zonder over iets na te denken, oppervlakkig, lichtzinnig
    • Ze sprak op de onnadenkende wijze, die de jeugd eigen is. 
    • Je kwetst me met die onnadenkende opmerking. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.