oppervlakkig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·per·vlak·kig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oppervlakkig oppervlakkiger oppervlakkigst
verbogen oppervlakkige oppervlakkigere oppervlakkigste
partitief oppervlakkigs oppervlakkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

oppervlakkig

  1. niet diepgaand of niet grondig
    • De leraar heeft dat moeilijke probleem slechts een oppervlakkige behandeling gegeven. 
     De rednecks zijn agressief en gevaarlijk, anderen zijn juist weer oppervlakkig en overdreven vriendelijk in de supermarkt.[1]
  2. zich aan de oppervlakte bevindend
    • Een oppervlakkige verwonding. 
  3. (figuurlijk) niet snel blijk gevend van iets
    • Hij is nu eenmaal een oppervlakkig mens. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be