oppervlakkig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·per·vlak·kig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oppervlakkig oppervlakkiger oppervlakkigst
verbogen oppervlakkige oppervlakkigere oppervlakkigste
partitief oppervlakkigs oppervlakkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

oppervlakkig

  1. niet diepgaand of niet grondig
    • De leraar heeft dat moeilijke probleem slechts een oppervlakkige behandeling gegeven. 
  2. zich aan de oppervlakte bevindend
    • Een oppervlakkige verwonding. 
  3. (figuurlijk) niet snel blijk gevend van iets
    • Hij is nu eenmaal een oppervlakkig mens. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.