onheil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·heil
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van heil met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord onheil onheilen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onheil o

  1. groot ongeluk
    • De jongen voelde dat er onheil in de lucht hing, en maakte zich uit de voeten. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • plaats des onheils
    • gevaarlijke plaats
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.