ongeleerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·leerd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongeleerd ongeleerder ongeleerdst
verbogen ongeleerde ongeleerdere ongeleerdste
partitief ongeleerds ongeleerders -

Bijvoeglijk naamwoord

ongeleerd [2]

  1. zonder veel onderwijs genoten te hebben; ongeletterd
    • De eminente fiscalist, Albert Tiberghien, de "stamvader" van het beroep in ons land en jarenlang chroniqueur in deze krant, merkte in april 1984 al op dat "indien de opstellers van de oude, maar onvolprezen Catechismus voor de jonkheid in het bisdom Gent nog zouden leven en in hun nieuwe catechismus een les over belastingen zouden opnemen", zij ongetwijfeld zouden zeggen dat de fiscale wetgeving en de bijbehorende jurisprudentie, net zoals de bijbel, "zeer duister is in vele plaatsen, en het daarom zorgelijk is voor ongeleerde menschen die te lezen". [3] 
    • En een ander schrijft in hetzelfde jaar: 'Niets gevaarlijker dan ongeleerden in den waan te brengen dat zij godsgeleerden zijn.' [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen