ongeschoold

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de armenkerk voor ongeschoolde arbeiders
Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·schoold
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongeschoold
verbogen ongeschoolde
partitief ongeschoolds - -

Bijvoeglijk naamwoord

ongeschoold [1]

  1. van een persoon dat deze geen (vak)opleiding heeft genoten
    • Arm, ongeschoold en ongezond: ook Duitsland heeft zijn Borinage: Pirmasens schafft es (nicht): Het stadje Pirmasens in de Duitse Palts rijgt de trieste records aaneen: hoge werkloosheid, hoge schuldenlast, veel schooluitval en kansarmoede. Maar de stad en haar inwoners blijven niet bij de pakken zitten. [2] 
  2. van arbeid dat er geen speciale opleiding voor nodig is
    • UWV meldt op dit moment 787 vacatures in Twente van vaklieden in de bouw. Een toename van bijna tweehonderd ten opzichte van begin dit jaar. De stijging van ongeschoolde hulpkrachten is nog veel groter. Daarvan kunnen er nu in de Twentse bouw- en industriesector tezamen direct 309 aan het werk, tegen 144 in januari van dit jaar. [3] 
  3. van een zangstem dat deze niet door scholing gevormd is
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard ZATERDAG 2 SEPTEMBER 2017
  3. Tubantia 29-07-2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be