omkijken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·kij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkijken
keek om
omgekeken
klasse 1 volledig

Werkwoord

omkijken

  1. inergatief naar achteren kijken
    • Zonder om te kijken liep hij de kamer uit. 
  2. inergatief naar ~: interesse tonen en verzorgen
    • Er werd niet meer naar die oude vrouw omgekeken. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.