omringde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ring·de

Werkwoord

vervoeging van
omringen

omringde

  1. enkelvoud verleden tijd van omringen
    • Ik omringde. 
    • Jij omringde. 
    • Hij, zij, het omringde. 
  2. verbogen vorm van omringd, voltooid deelwoord van omringen