nudist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een nudist die golf speelt.
Uitspraak
Woordafbreking
  • nu·dist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nudist nudisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nudist m

  1. iemand die vindt dat een verblijf in de vrije natuur zonder het dragen van kleding gezond is
    • Terwijl de politici kibbelen, is de Franse pers wel eensgezind in haar veroordeling van het boerkiniverbod. ‘Zijn we niet allemaal gek geworden?’, titelde de krant Le Parisien. Le Figaro verwees naar de films over de ‘Gendarme de Saint-Tropez’, gespeeld door Louis de Funès, die in zijn tijd op het strand jacht maakte op... nudisten. [4] 
    • Ophef in Saksen: het Duitse grondrecht op naaktlopen komt in de verdrukking nu tegenover een lokaal nudistenterrein een asielzoekerscentrum voor mannen wordt ingericht. De nudisten mogen vanaf volgende maand alleen nog in badkleding zwemmen. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen