nestel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nes·tel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘veter, schoudersieraad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1380 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord nestel nestels
verkleinwoord nesteltje nesteltjes

Zelfstandig naamwoord

nestel m

  1. (schoeisel) een metalen of kunststoffen ringetje of buisje aan het eind van een veter dat rafelen tegengaat
    • Je moet het nesteltje niet van de veter halen, want dan krijg je een kwast. 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
nestelen

nestel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nestelen
    • Ik nestel. 
  2. gebiedende wijs van nestelen
    • Nestel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nestelen
    • Nestel je? 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen