negligé

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

negligé
Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·gli·gé
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ochtendkleding’ voor het eerst aangetroffen in 1784 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord negligé negligés
verkleinwoord negligeetje negligeetjes

Zelfstandig naamwoord

negligé o [3]

  1. (kleding) gemakkelijk ochtendgewaad, deftige dameskamerjapon
    • Een dame mag een heer niet in négligé ontvangen; ze mag van hem geen kostbare geschenken aannemen en hem er ook geen aanbieden, tenzij hij haar echtgenoot of verloofde is, ofwel tot de familie behoort. Bloemen, of bonbons, of een boek mag ze wel aanvaarden, als de omstandigheden zich daartoe lenen. [4] 
  2. (kleding) nachtgewaad voor vrouwen
    • In een scène die je nekharen overeind doet staan speelt ze viool voor de badderende Camiel, in doorschijnend negligé en met een Venetiaans masker op. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen