neerlandicus
Uiterlijk
- Geluid: neerlandicus (hulp, bestand)
- IPA: / nerˈlɑndiˌkʏs / (4 lettergrepen)
- neer·lan·di·cus
- opgebouwd met Neerland(s) maar door elisie verwijzend naar de taal Nederlands, met het achtervoegsel -icus
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | neerlandicus | neerlandici |
| verkleinwoord | neerlandicusje | neerlandicusjes |
de neerlandicus m
- (wetenschap), (beroep) iemand die is afgestudeerd in de Nederlandse taal en cultuur
- Hij is sinds kort ook neerlandicus.
- Het woord neerlandicus staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "neerlandicus" herkend door:
| 92 % | van de Nederlanders; |
| 62 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 12
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -icus in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Wetenschap in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 92 %
- Prevalentie Vlaanderen 62 %