neerlandicus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·lan·di·cus
enkelvoud meervoud
naamwoord neerlandicus neerlandici
verkleinwoord neerlandicusje neerlandicusjes

Zelfstandig naamwoord

neerlandicus m

  1. (wetenschap), (beroep) iemand die is afgestudeerd in de Nederlandse taal en cultuur
    • Hij is sinds kort ook neerlandicus. 
Hyperoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
64 % van de Vlamingen.

Meer informatie