naïveteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • naï·ve·teit, na·ive·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord naïveteit naïveteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

naïveteit v

  1. naïviteit, onnozelheid
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be