moyenne

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

formule voor berekenen moyenne
Uitspraak
Woordafbreking
  • moy·en·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gemiddelde’ voor het eerst aangetroffen in 1952 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord moyenne moyennes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

moyenne o

  1. gemiddelde score
    • De komst van Alonso naar Londen leverde onder fans geen hosanna op. Hij had immers niet de naam die de gemiddelde aankoop van Chelsea sinds de oliemiljoenen van voorzitter Roman Abramovitsj wél heeft. Al snel nestelde hij zich in de basiself van Conte, die in Alonso de ideale speler aan de linkerflank in zijn progressieve 3-4-3-systeem zag. De Spanjaard schaadde zijn vertrouwen niet. Verdedigend is Alonso misschien niet van wereldklasse, maar met zijn verraderlijke trap en zijn hoge moyenne op gebied van doelpunten en assists leverde hij een wezenlijke bijdrage aan het kampioenschap van ‘The Blues’. [3] 
  2. (sport) een maat voor de speelsterkte van een biljarter: het gemiddelde aantal caramboles dat een speler per beurt maakt
    • ‘Ezequiel Navarra, een Argentijnse specialist van het kunststoten, deed regelmatig stoten die ik niet kon. Die niemand kon. Hij wilde absoluut eens tegen mij biljarten. Buenos Aires hing vol met prachtige affiches: Ezequiel Navarra vs. Raymond Ceulemans: El Match del Siglo. (De Match van de Eeuw, red.). Vijf avonden een volle bak: 4.000 mensen. De bovenste rijen gebruikten verrekijkers. Ik speelde als God de Vader, zo goed. Een toeschouwer riep: “Ik heb God zien spelen en nu kan ik sterven.” Ik stond op het hoogtepunt van mijn kunnen, met een moyenne dat de huidige generatie toppers nu haalt.’ [4] 

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen