morsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mor·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
morsen
/'mɔrsə(n)/
morste
/'mɔrstə/
gemorst
/ɣə'mɔrst/
zwak -t volledig

Werkwoord

morsen

  1. (overgankelijk) materiaal daar laten belanden waar niet thuis hoort
    Hij morste rode wijn op zijn witte overhemd.
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
morsen morsend
gemors gemorst
Vertalingen