monteur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord monteur monteurs
verkleinwoord monteurtje monteurtjes

Zelfstandig naamwoord

monteur m

  1. (beroep), (techniek) deskundige die machines, apparaten, leidingen e.d. in elkaar zet of herstelt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen