mok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mok
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kroes’ voor het eerst aangetroffen in 1611 [1] [2] [3] [4] [5] [6]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord mok mokken
verkleinwoord mokje mokjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord mok -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mok v/m [7] [8] [9]

  1. een (stenen) drinkbeker, meestal voorzien van een oor [10]
  2. (diergeneeskunde) een verzamelnaam voor verschillende vormen van huidirritaties en -ontstekingen aan de onderbenen van een paard, voornamelijk in de kootholte [11]
  3. afkorting voor moeilijk opvoedbaar kind
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
mokken

mok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
    • Ik mok. 
  2. gebiedende wijs van mokken
    • Mok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
    • Mok je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen