mok

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mok
1 enkelvoud meervoud
naamwoord mok mokken
verkleinwoord mokje mokjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord mok -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mok v/m

  1. een (stenen) drinkbeker, meestal voorzien van een oor
  2. (veeartsenij) een verzamelnaam voor verschillende vormen van huidirritaties en -ontstekingen aan de onderbenen van een paard, voornamelijk in de kootholte
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
mokken

mok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
    • Ik mok. 
  2. gebiedende wijs van mokken
    • Mok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mokken
    • Mok je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie