magnolia

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mag·no·lia
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1831 [1]
  • genoemd naar Pierre Magnol [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord magnolia magnolia's
verkleinwoord magnoliaatje magnoliaatjes

Zelfstandig naamwoord

magnolia v/m

  1. (plantkunde) boom met tulpachtige bloemen
    • De wandelaars stopten om de bloeiende magnolia te bewonderen 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • mag·no·lia
enkelvoud meervoud
magnolia magnolias

Zelfstandig naamwoord

magnolia v

  1. (plantkunde) magnolia

Verwijzingen