maatje
Uiterlijk
- [A] maat·je
- [B] ma·tje
- [A] afgeleid van maat zn met het achtervoegsel -je [1]
- [B] afgeleid van ma zn met het achtervoegsel -tje
| A [2]-[4] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | - | - |
| verkleinwoord | maatje | maatjes |
[A] het maatje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord maat
- alleen verkleinwoord (persoon) iemand met wie je bij uitstek een nauwe vriendschappelijke relatie hebt
- alleen verkleinwoord inhoudsmaat van 0,1 liter
- alleen verkleinwoord (voeding) eerste, jonge haring van het seizoen
- [2] vriendje
- [3] deciliter
- [4] maatjesharing
- [1] maatjespeer
- [4] maatjesharing
[B] het maatje o
- Het woord maatje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "maatje" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ maatje op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -je in het Nederlands
- Achtervoegsel -tje in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Betekenis alleen als verkleinwoord in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Voeding in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %