Naar inhoud springen

maatje

Uit WikiWoordenboek
  • [A] maat·je
  • [B] ma·tje
  • [A] afgeleid van  maat zn  met het achtervoegsel -je [1]
  • [B] afgeleid van  ma zn  met het achtervoegsel -tje
A [2]-[4] enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord maatje maatjes

[A]hetmaatjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord maat
  2. alleen verkleinwoord (persoon) iemand met wie je bij uitstek een nauwe vriendschappelijke relatie hebt
  3. alleen verkleinwoord inhoudsmaat van 0,1 liter
  4. alleen verkleinwoord (voeding) eerste, jonge haring van het seizoen

[B]hetmaatjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord ma, moeder
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]