luister

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luis·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luister -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

luister m

  1. straling, schitteringen, flonkering
    • De luister van de kerstmarkt is de trots van de stad Keulen. 
  2. gekendheid, aanzien, roem
    • De luister van de Harry Potter-sterren is ongeëvenaard. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
luisteren

luister

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luisteren
    • Ik luister. 
  2. gebiedende wijs van luisteren
    • Luister! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luisteren
    • Luister je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie