loerder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loer·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loerder loerders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

loerder m

  1. iemand die te indringend aan het rondkijken is
    • Hij trad op tegen ‘een loerder’.
      Een ‘loerder’ was een klant die stond te kijken naar een andere klant en wachtte totdat deze al zijn geld had verspeeld om daarna zelf op de gokkast te gaan spelen.
      Peter: „Wat zijn we aan het doen?”
      De klant: „Kijken.”
      Peter: „Kijken doen we in Tuschinski.”
      De klant: „Ik wacht op die kast.”
      Peter: „Wachten doen we bij de bushalte.” [1]
       
    • Nadat er eerst berichten waren dat de vreemde man een Portugese varkensboer zou zijn, gaat de aandacht volgens de Daily Mail nu uit op ene Joaquim Agostinho die vorige week in het Portugese vakantieoord Altura was gezien. Britse toeristen hadden erover geklaagd dat zij gevolgd waren door een 'loerder' die 'identiek' lijkt op de man op de robotfoto. De 42-jarige man zou volgens de Britse toeristen kinderen in het vizier hebben gehad. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Marcel van Roosmalen 28 december 2011 Roken mag, loeren verboden
  2. De Standaard 28/01/2008 door mcu Zwerver lijkt op robotfoto McCanns